6 min

Verhalen zitten vol met overtuigingen en emoties en kunnen duidelijke verschillen en overeenkomsten laten zien in de belevenis van mensen. Van jongs af aan komen veel mensen in aanraking met verhalen: voorleesverhalen, verhalen over ‘vroeger’ van grootouders, maar bijvoorbeeld ook verhalen over ervaringen om mensen te waarschuwen. Verhalen laten persoonlijke belevenissen van een specifieke ervaring van een deelnemer zien en kunnen gebruikt worden om een deelnemer te helpen in diens kracht te staan. Het is daarom een goede werkvorm als je met mensen uit een kwetsbare doelgroep in gesprek wilt gaan.

tip Bij storytelling is het enorm belangrijk om goed te luisteren naar de deelnemer. Zorg ervoor dat je de deelnemer niet onderbreekt als een deel van het verhaal niet ‘logisch’ lijkt. Het gaat bij storytelling niet om de logica, maar om de belevenis.

Het gebruik van storytelling kan helpen om van een ‘probleem focus’ naar meer begrip van een maatschappelijk vraagstuk te gaan. In de basis verschilt storytelling als werkvorm niet zoveel van een ‘gewoon’ interview. Het verschil zit in de focus van de vragen die je stelt. In plaats van dat je op zoek gaat naar een ogenschijnlijke objectieve ‘waarheid’, zoek je juist naar belevenissen en vraag je deze te ondersteunen door middel van ervaringen of verhalen.

Stappenplan

1.

Bedenk het thema waar je meer over wilt weten. Dit kan je onderzoeksvraag zijn, maar het gesprek kan ook over een deelvraag gaan.

2.

Leg contact met de mensen die je wilt vragen om mee te doen en licht aan hen toe hoe het onderzoek in zijn werk zal gaan.

3.

Regel enkele praktische zaken: een geschikte locatie, iets te drinken, zorg ervoor dat je een geluidsopname kan maken, enzovoort.

4.

Bedenk een interviewleidraad waarbij je focust op belevenisvragen zoals “Hoe begon …?” en “Wat gebeurde er toen … ?”

5.

Laat de deelnemer diens verhaal vertellen, waarbij je expliciet luistert naar de emoties en ervaringen die je in het verhaal terug hoort. Maak notities van de plek, tijd en emoties die je terug hoort in het verhaal.

6.

Werk het gesprek en verhaal uit tot een transcript waarbij je expliciet let op culturele,  interpersoonlijke, en structurele aspecten in het verhaal. Hoe je dit precies doet kan je lezen in Fraser (2004).

7.

Herhaal deze werkvorm bij verschillende deelnemers, zodat je naar onderlinge overeenkomsten en verschillen kan zoeken. Dit werkt het beste als je aan alle deelnemers hebt gevraagd een verhaal te vertellen over hetzelfde onderwerp.

8.

In de analyse van de verhalen gebruik je de drie aspecten uit stap 6 om een connectie te maken tussen de persoonlijke verhalen en een maatschappelijk thema.

Bronnen

Hier vind je de bronnen die we voor de beschrijving van deze werkvorm hebben gebruikt. Daarnaast vind je hier bronnen waarin je meer kunt lezen over de werkvorm, en/of voorbeelden van onderzoek waarin de werkvorm is toegepast.

East, L., Jackson, D., O’Brien, L., & Peters, K. (2010). Storytelling: an approach that can help to develop resilience. Nurse researcher, 17(3), 17-25.

Fraser, H. (2004). Doing narrative research: Analysing personal stories line by line. Qualitative social work, 3(2), 179-201.

Gallagher, K. M. (2011). In search of a theoretical basis for storytelling in education research: Story as method. International Journal of Research & Method in Education, 34(1), 49-61.

Andere werkvormen

Terug naar overzicht

1# Photovoice

2# Woordassociaties

3# Wandelgesprekken

4# Vignetten

5# Focusgroepen

7# Stellingen

8# Tekenen

Terug naar overzicht